Maatschappelijke evolutie:
groeiend labelgebruik bij kinderen

Psychiatriseren en kritisch kijken naar labels
Heb jij onlangs nog iemand in je klas van ADHD verdacht? Dat is niet vreemd: steeds meer mensen gaan psychiatriseren—medisch jargon gebruiken om complexe sociale situaties te labelen, zonder de juiste deskundigheid. Professor Stijn Vanheule pleit er al sinds 2011 voor dat leerkrachten kritisch omgaan met labels. Door labeling dreigt de zoektocht naar mogelijke oplossingen te stoppen. De professor moedigt leerkrachten aan standaardclassificaties en denkschema’s opzij te schuiven, en te kiezen voor een denkklimaat waarbij we kinderen in eerste instantie contextualiserend gaan benaderen, om bijvoorbeeld druk en onaandachtig gedrag niet te interpreteren als teken van onderliggende stoornis, maar als kind in de knoop met zichzelf, met anderen en de ruime leefomgeving. (Vanheule 2011)
Professor Vanheule relativeert ook de nauwkeurigheid waarmee stoornissen over het algemeen worden vastgesteld. De DSM, een wereldwijd veelvuldig gebruikt handboek voor psychologen en psychiaters, dient als basis, maar is beïnvloed door heersende trends over psychische gezondheid. Bovendien hadden 13 van de 21 opstellers financiële banden met de farmaceutische industrie. Daarnaast toont onderzoek aan dat diagnoses, op basis van het DSM-systeem geen puur objectief oordeel geven voor gedragsproblemen en ADHD bij kinderen, professioneel of niet.
Alternatieve onderzoeksbenaderingen duiden bovendien op samenhang tussen druk en onaandachtig gedrag bij een kind en ongunstige omgevingsinvloeden. Ook is er een verband tussen bijvoorbeeld ADHD en de tijdsgeest waarin we leven. Het huidig schoolsysteem vraagt een enorme doelgerichtheid bij kinderen én leerkrachten. De context blijkt effectief mee te spelen.
Maar medicatie werkt toch? Klopt, deze kanttekening lezen we ook in het artikel van Professor Vanheule. Rilatine bijvoorbeeld is een gedrags - regulerend product dat in bepaalde gevallen zinvol kan ingezet worden mits een goede inschatting van de voor- en nadelen door een kinderpsychiater.

Meer labels dan ooit
De voorbije twintig jaar is de aandacht voor de zorgnoden van leerlingen sterk toegenomen. De focus verschoof steeds meer naar individuele problemen, wat vaak resulteerde in diagnosestelling en labeling.
Zo kregen in 2022-2023 meer leerlingen dan ooit een diagnose voor een gedrags- of leerstoornis. ‘Het aantal kinderen dat extra zorg nodig heeft in de klas, steeg in ‘22-23’ met meer dan 50 procent in vergelijking met drie schooljaren geleden.’ (Lamote, 24 C E b). Dat blijkt uit de jaarcijfers van het CLB van 2024.
Verschillende betrokkenen spreken van een structurele fout in het systeem. Maar met een officieel label kunnen scholen aankloppen bij leersteuncentra, die specialisten inzetten om leerlingen en klassen extra te ondersteunen. Deze centra worden door de Vlaamse overheid gefinancierd op basis van het aantal attesten bij leerlingen, wat het verkrijgen van zo’n label aantrekkelijk maakt.
Dat er de afgelopen jaren meer openheid en overleg is gekomen rond stoornissen en zorgbehoeften wordt algemeen als positief ervaren. Toch vinden velen dat het evenwicht zoek is geraakt. Volgens hen kan het niet de bedoeling zijn dat leraren steeds meer zorgverleners worden en scholen evolueren naar zorginstellingen. (Lamote, 24 C E b)
Leerlingen met leer- en gedragsstoornissen, al dan niet met diagnose, zijn veel meer dan ooit dagelijkse realiteit in de klas. Wij onderzoeken in ons groepswerk hoe je binnen je rol als leerkracht aan de slag kan met gedrags- en leerstoornissen, zonder kinderen te reduceren tot een label.
Deze analyse roept fundamentele vragen op over rechten, kansen en verwachtingen van kinderen, die we verder uitdiepen op de pagina wat staat er op het spel.